De Sociale Hoofdwet

Door Arjen Nijeboer

In 1905 en 1906 schreef Rudolf Steiner een tweedelig artikel, “Geisteswissenschaft und soziale Frage”*, waarin hij de ‘sociale hoofdwet’ formuleerde. Deze luidt:

”Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter, naarmate de enkeling minder aanspraak maakt op het resultaat van zijn prestaties, dat wil zeggen naarmate hij meer daarvan aan zijn medewerkers afstaat en naarmate meer van zijn behoeften niet uit eigen prestaties, maar door de prestaties van anderen worden bevredigd.” (“Medewerkers” slaat in dit verband op de andere personen die werkzaam zijn in de gemeenschap.)

Verderop in zijn artikel noteerde Steiner een nog kortere versie van de wet: “Het welzijn van de mensen is des te hoger naarmate het egoïsme geringer is.”

Een ijzeren natuurwet

Hoe moeten we deze wet begrijpen? Enerzijds wijst deze wet op het objectieve feit dat in de moderne economie niemand nog zijn eigen consumptiegoederen voortbrengt. Een meubelmaker maakt (bijna) al zijn meubels voor anderen. Het brood dat hij eet en de auto waarin hij rijdt, worden dan weer door anderen voor hem geproduceerd. Zonder ver doorgevoerde arbeidsverdeling – het verschijnsel dat iedereen zich specialiseert in een bepaald beroep of bedrijfstak – zouden we lang niet zo welvarend zijn.

Uit dit gegeven volgt onvermijdelijk een belangrijk aspect van de sociale hoofdwet: omdat alle producten die ik gebruik, door anderen worden gemaakt, ben ik het beste af als die anderen maximaal op de bevrediging van mijn behoeften zijn gericht. Iedere producent zou continu de ander voor ogen moeten hebben. Al zijn inspanningen zouden erop gericht moeten zijn om de behoeften van de ander nóg beter te bevredigen.

Hierdoor komen we uit bij het tweede aspect. Steiner wees er tegelijk steeds op dat ons denken en ons bewustzijn achterloopt bij dit objectieve gegeven. Onze innerlijke gesteldheid en intentie zijn immers vaak helemaal niet gericht op de ander, maar op ons eigen belang: sommige werknemers hebben vooral hun eigen salaris of bonus op het oog, en zijn maar weinig bezig met de diepere behoeften van hun klanten. Dat wordt ook goedgekeurd en uitgedragen door de materialistische wetenschap, de hogepriesters van onze tijd: bijna elk economisch handboek in de wereld stelt dat het goed is wanneer mensen hun eigenbelang volgen.

Steiner hamerde er steeds op dat de sociale hoofdwet als een ijzeren natuurwet met onverbiddelijke logica werkt. Uit zijn teksten is op te maken dat de sociale hoofdwet een sterk duaal karakter heeft: alle organisatievormen en instellingen in de samenleving bevorderen óf het egoïsme óf het altruïsme, en wanneer individuen zich meer in altruïstische of egoïstische richting begeven, kan een samenleving binnen korte tijd in z’n geheel overschakelen van de egoïstische naar de altruïstische modus, en omgekeerd. Hoe is dat te begrijpen?

De paradox van Flood

Hiervoor moeten we kijken naar één van de beste illustraties van de sociale hoofdwet, het werk van de Amerikaanse wiskundige Merrill M. Flood omtrent de speltheorie van samenwerking en conflict. Later is dit bekend geworden als het ‘prisoner’s dilemma’. Wij spreken hier liever van de ‘paradox van Flood’.

Beschouw een samenleving bestaande uit duiven en haviken. De duiven zijn vredelievend en altruïstisch: ze zijn gericht op het vervullen van de behoeften van de anderen, zijn dus ook productief voor die anderen, en ze komen in redelijkheid tot onderlinge overeenkomsten. De haviken zijn egoïstisch en agressief: ze zijn gericht op hun eigenbelang, zijn dus niet of nauwelijks productief voor anderen, en proberen conflicten te winnen met bedrog of geweld.

duif

Wanneer twee duiven A en B samenwerken en productief zijn voor elkaar, is de totale opbrengst 6 eenheden, en zij delen de opbrengst: beiden krijgen 3. Maar als zij zich beide gedragen als havik, zijn zij niet werkelijk productief voor elkaar (ze zijn immers gericht op hun eigenbelang) en bovendien stoppen ze de meeste energie in het bestrijden en manipuleren van elkaar. Hun totale opbrengst is 2, en beide krijgen 1.

Stel nu dat A een duif is, en B een havik. In dat geval zal de totale opbrengst 5 zijn (in verband met het dalende marginale grensnut, dit punt is verder niet belangrijk): B pakt de hele poet en A krijgt niets.

Uit een juiste analyse van deze scenario’s volgen iets heel vervelends. Enerzijds is het duidelijk dat voor de samenleving als geheel, de opbrengst het grootste is als iedereen zich als duif gedraagt. Het algemene welvaartsniveau is dan het hoogst en door de redelijkheid en eerlijkheid van de duiven is de onderlinge verdeling geen probleem. Maar tegelijk volgt hieruit dat het voor het individu eigenlijk in elk scenario aantrekkelijker is om zich als havik te gedragen. Als A een duif is, dan pakt B een winst van 3 als hij zich ook als duif gedraagt, maar een winst van 5 als hij zich als havik gedraagt. Ook als A een havik is, dan is het voor B beter om zich ook als havik op te stellen, want alleen dan kan hij zich enigszins beschermen tegen het havikschap van A en toch nog een winst van 1 behalen (als hij zich als duif tegenover havik A opstelt, krijgt hij niets).

Hierdoor is een gemeenschap van duiven die met een klein aantal haviken geconfronteerd worden, ook haast genoodzaakt om zich als haviken te gaan gedragen. Alleen zo kunnen ze hun verlies beperken. Een klein aantal haviken kan de balans al doen doorslaan, en een hele samenleving van duiven dwingen om vrij plotsklapts van de egoïstische modus op de altruïstische modus over te springen. Als iedereen zich “rationeel” gedraagt, dan evolueert een samenleving dus naar een soort evenwichtstoestand van een oorlog van allen tegen allen, waarin heel veel energie verloren gaat in onderlinge strijd, in bedrog en manipulatie, en in pogingen van de anderen om zich te beschermen tegen het egoïsme van de anderen.

Een situatie van individueel duifschap is voor de gemeenschap het beste, maar is onhaalbaar als ook maar een deel van de individuen voor het eigenbelang gaat, en voor het individu is dat laatste eigenlijk altijd de beste. Dat is de paradox van Flood. Hoe kunnen we aan die helse paradox ontsnappen?

De spirituele dimensie

Op dit punt doet de geestelijke dimensie zijn intrede. In zijn artikel uit 1905-06 stelt Steiner dat een samenleving de altruïstische modus alleen kan bereiken als deze zich geestelijke, hogere doelen stelt:

“Als een mens voor iemand ander arbeidt, dan moet hij in die ander de grond voor zijn arbeid vinden; en wanneer iemand voor de hele gemeenschap zou moeten werken, dan moet hij de waarde, het wezen en de betekenis van die hele gemeenschap ondervinden en voelen. Dat kan hij alleen als die hele gemeenschap nog iets heel anders is dan alleen maar een meer of minder onbestemde som van afzonderlijke mensen. Zij moet door een werkelijke geest vervuld zijn, waaraan iedereen deel neemt. Zij moet zo zijn, dat elke eenling voor zichzelf zegt: zij is goed, en ik wil dat zij dat is. De gemeenschap moet een geestelijke missie hebben.”

Het probleem is, kort gezegd, dat het niet mogelijk is om alle leden van een gemeenschap tot universeel duifschap te brengen alleen door de nuchtere voordelen voor een ieder logisch uit te leggen (al was het maar omdat het individu het deel dat hij krijgt altijd kan vergroten door zich als havik te gedragen). Steiner drukt het zo uit:

“Een nuchtere economische theorie kan nooit een drijfveer tegen de machten van het egoïsme zijn. (..) Wat alleen kan helpen, is een geestelijke wereldbeschouwing, die door zichzelf, door dat wat ze te bieden heeft, zich in de gedachten, in de gevoelens en in de wil, kortom in de hele ziel van de mens inleeft. Het geloof (…) in de goedheid van de menselijke natuur is slechts deel juist; voor een ander deel is ze echter één van de ergste illusies. Ze is in zover juist, dat er in elk mens een ‘hoger zelf’sluimert dat kan worden gewekt. Maar het kan alleen uit zijn sluimer worden gewekt door een wereldbeschouwing die de hierboven genoemde eigenschappen heeft.”

Dit is ongetwijfeld één van de redenen waarom Steiner ook tegen het einde van zijn leven pleitte voor een verbinding tussen de sociale driegeleding (zijn ideeën voor een gezonde inrichting van de samenleving) en de antroposofie. In een voordracht uit 1921** stelde Steiner dat de beweging voor sociale driegeleding zonder de antroposofie in de lucht hing.

Sommigen maken bezwaar tegen die verbinding: het zou ook voor niet-antroposofen mogelijk moeten zijn om zich met sociale driegeleding in te laten, en het hameren op de verbinding zou sektarisme in de hand werken. Voor dergelijke bezwaren heeft deze auteur alle begrip, maar het laat onverlet dat een samenleving uiteindelijk alleen volop een productieve, vrije en zich ontwikkelende gemeenschap kan worden als zij een hogere geestelijke oriëntatie weet te vinden.

De duiven zullen nieuwe wegen moeten vinden om duiven te blijven, door hun hele gemeenschap te laten doortrekken van geest, waardoor ook degenen met havikachtige neigingen toch duif kunnen blijven of worden. En diegenen binnen de gemeenschap der duiven die hun havikengedrag niet willen opgeven? De duiven zullen manieren moeten vinden om zich van de haviken af te scheiden.

Bron:

https://www.antrovista.com/nieuws/nieuwsbestanden/13922_krant_van_een_658859.pdf

 

 

 

 

 

Advertenties

Een gedachte over “De Sociale Hoofdwet

  1. Kent Arjen Nijeboer de site van Follow de Money. Ik heb geen email adres van Arjen Nijeboer.
    Zou jij Arjen op de hoogte willen brengen dat Rudolf Steiner ook besproken wordt bij FTM.
    mvg

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s