De ‘Round Table’ en de ‘CFR’ – Council on Foreign Affairs

De Round Table en de CFR hebben een substantiële bijdrage geleverd aan de opkomst van de Verenigde Staten als wereldmacht in de 20e eeuw.

Door Arjen Nijeboer, oktober 1999

Het onderzoek van Dr. Carroll Quigley

In 1966 publiceerde de historicus Carroll Quigley (1910-1977), professor aan de door jezuïeten geleide Georgetown-universiteit, zijn boek Tragedy and Hope, een ruim 1300 pagina’s tellend standaardwerk over de comtemporaine wereldgeschiedenis. Wat het zo bijzonder maakte, was dat Quigley bij een aantal belangrijke gebeurtenissen de invloed liet zien van een tot dan geheim genootschap, genaamd de Round Table. Quigley was geen principieel criticus van de Round Table (1966: 950):

“Er bestaat (…) een internationaal pro-Angelsaksisch netwerk dat tot op zekere hoogte werkt zoals extreemrechts denkt dat de communisten werken. Dit netwerk, dat we zouden kunnen identificeren als de Round Table-groepen, heeft geen bezwaar tegen samenwerking met communisten of enige andere groep, en doet dat regelmatig. Ik weet van de machinaties van dit netwerk omdat ik het 20 jaar lang heb bestudeerd en omdat ik gedurende 2 jaar, in het begin van de jaren ’60, haar documenten en geheime archieven mocht raadplegen. Ik heb geen aversie tegen haar of tegen de meeste van haar doelen en stond voor het grootste deel van mijn leven dicht bij haar en veel van haar instrumenten.Ik heb zowel in het verleden als recent geprotesteerd tegen een aantal van haar doelen (…), maar in het algemeen is mijn grootste verschil van mening dat zij onbekend wenst te blijven, terwijl ik geloof dat haar rol in de geschiedenis belangrijk genoeg is om bekend te moeten zijn”

In 1949 had Quigley al een zelfstandige studie naar de Round Table-organisatie afgerond, The Anglo-American Establishment, die nog veel gedetailleerder was.Geen uitgever wenste er echter zijn vingers aan te branden en het manuscript bleef tot zijn dood in een bureaula liggen. Pas in 1981, vier jaar na Quigleys dood, werd het boek door een kleine, onafhankelijke New Yorkse uitgeverij gepubliceerd. (Reuveni 1996: 27)

De belangrijkste oprichter van het door Quigley beschreven genootschap was de Britse imperialist Cecil Rhodes (1853-1902). Van 1873 tot 1881 studeerde Rhodes op de Oxford-universiteit, waar op dat moment professor John Ruskin grote aandacht trok. Ruskin hield zijn toehoorders voor dat zij de erfgenamen waren van een grootse Britse traditie van vrijheid, zelfdiscipline, schoonheid en rechtvaardigheid en dat deze traditie slechts kon worden behouden wanneer ze werd uitgebreid naar de lagere Britse klassen en naar de niet-Britse volkeren van de wereld.

Ruskins boodschap maakte grote indruk. Onder diens discipelen op Oxford waren Arnold Toynbee en (lord) Milner; ook een groep Cambridge-studenten, waaronder (lord) Esher en (lord) Grey, sloten zich bij hen aan. (Quigley 1966: 130-31) Niemand was echter zo door Ruskin gegrepen als Cecil Rhodes. Hij droeg Ruskins inaugurele rede 30 jaar lang bij zich.

Na zijn afstuderen in 1881 vertrok Rhodes naar Afrika om de goud- en diamantmijnen te exploiteren. In 1888 had hij 93% van de werelddiamantproductie in handen; rond 1895 bedroeg zijn persoonlijk inkomen minimaal 1 miljoen pond sterling (toen zo’n 5 miljoen dollar) per jaar. (Reuveni 1996: 22, 136n)

Dit gaf hij zo ruimschoots uit aan zijn levensdoel, dat hij omschreef als “het machtiger maken van het Britse Rijk, het brengen van het gehele beschaafde wereld onder haar leiding, de wederopstanding van de Verenigde Staten van Amerika, en het brengen van het Angelsaksische ras in één Rijk”, dat hij meestal rood stond. (Shoup en Minter 1977: 12-13)
Het was de occultist en leidende journalist van die tijd, William T. Stead, die Ruskins aanhang op Oxford en Cambridge in contact bracht met Rhodes.

Hieruit ontstond in februari 1891 het geheime Round Table-genootschap, waarvan Rhodes dan al 16 jaar gedroomd had. In de herfst van 1891 schreef Rhodes aan Stead:

“Wat een uitzicht en wat een bergen aan werk voor minimaal de komende twee eeuwen, de beste inzet van de beste mensen ter wereld; het is zeker mogelijk, maar alleen met een organisatie, want het is onmogelijk voor één enkel menselijk atoom om daadwerkelijk iets te volbrengen, laat staan een idee als dit dat de toewijding van de grootste geesten voor de komende 200 jaar vergt. Er zijn drie essentiële zaken: 1) een uitgekiend en door iedereen onderschreven plan, 2) de eerste organisatie, 3) het bijeenbrengen van het benodigde fortuin.”(gecit. in Reuveni 1996: 20)

Tegen een vriend zei hij eens: “Denk eens aan al die sterren die je elke nacht boven je hoofd ziet, die reusachtige werelden die we nooit zullen bereiken! Als ik maar kon, zou ik de kosmos koloniseren. Ik denk daar vaak aan.” (gecit. in Shoup en Minter 1977: 12)

Rhodes wilde zijn Round Table, waarvoor de jezuïeten-orde model stond – al in 1877 had Rhodes zichzelf als de ‘nieuwe Ignatius’ gekarakteriseerd – organiseren als een aantal concentrische cirkels. Rhodes werd de leider, bijgestaan door een ‘Executive Committee’ van drie (lord Esher, lord Milner en Stead); daarom heen stond een ‘Circle of Initiates’ die onder meer bestond uit lord Balfour, Sir Harry Johnston, lord (Nat-han) Rothschild en lord Grey; en de buitenste ring werd de ‘Association of Helpers’, die van 1909 tot 1913 door lord Milner als de Round Table Groups, in acht landen, zijn georganiseerd. (Quigley 1966: 131; Reuveni 1996: 21-22)

Dit geheel was bij elkaar de Round Table. Quigley merkt op dat veel historici delen van de Round Table-groep hebben beschreven als ‘Milners Kindergarten’, de ‘Rhodes crowd’, de ‘Times crowd’ en de ‘Cliveden set’ (naar het land-goed van de familie Astor, eigenaren van The Times, waar de sommige leden vaak samenkwamen), zonder te weten dat het om fronten van een en dezelfde organisatie ging. (Quigley 1981: ix) Nederveen Pieterse (1990: 295-96n) geeft een overzicht van dergelijke historici.

Van 1919 tot 1927 richtte Milner in Engeland, de Commonwealth-landen en enkele bevriende landen de Royal Institutes of International Affairs (RIIA’s) op, onderzoeks- en plannings-institu-ten voor buitenlands beleid. In de Verenigde Staten werd het instituut de Council on Foreign Relations gedoopt. Op het belang van deze daad komen we hieronder terug.

De (Britse moederorganisatie van de) Round Table is er in de loop van haar bestaan in geslaagd een groot aantal eigen leden op politieke posten te krijgen. Het stichten van één Angelsaksisch wereldrijk is slechts deels gelukt: er is sinds het einde van de 19e eeuw een nieuwe informele alliantie tussen Groot-Brittannië en de VS ontstaan die allerlei vormen van samenwerking tussen de Engelssprekende landen op gang heeft gebracht, zoals bijvoorbeeld de Arbitration Treaty van 1911 dat oorlog tussen de VS en Groot-Brittannië verbood en het UKUSA-akkoord van 1947, waarbij de geheime diensten aaneengesloten werden van de VS, Groot-Brittannië, Australië en Nieuw-Zeeland, met gezamenlijk een kwart miljoen fulltime personeel in dienst.

Ten tweede heeft de Round Table de Commonwealth of Nations voortgebracht, waardoor 50 landen ter wereld een onderwijs-, staats- en rechtssysteem naar Brits model kregen. Ze heeft in vrij grote mate de publieke opinie van haar tijd kunnen beïnvloeden door haar controle over een groot aantal kranten en periodieken.

Ze beheerste de Times van 1890 tot 1912 grotendeels en, m.u.v. de periode 1919-1922, van 1912 tot in de jaren ’60 geheel; haar eigen (anoniem volgeschreven) publikatie The Round Table, dat nog steeds bestaat, was bij beleidsmakers invloed-rijk.

Tot op de dag van vandaag worden jaarlijks 85 studenten die naar verwachting in Rhodes’ geest willen werken, uitgeloot voor een Rhodes Scholarship waarmee ze aan de universiteit van Oxford mogen studeren. Van oorsprong konden alleen mannen Rhodes-scholar worden; sinds 1977 verbiedt de Britse wet de uitsluiting van vrouwen. Ook heeft de Round Table een aantal stoelen voor internationale betrekkingen aan de grote Britse universiteiten kunnen instellen en bezetten. (Quigley 1966: -132-33; Reuveni 1996-: 30-32)

Daarnaast lijkt de Round Table te hebben bijgedragen aan de geslaagde poging, aantoonbaar op z’n laatst begonnen in 1887, van kringen rond de Britse kroonprins Edward VII, een anti-Duitse coalitie van Frankrijk, Rusland en Engeland tot stand te brengen. Die coalitie kwam er in de vorm van de Triple Entente, die tijdens de Eerste Wereldoorlog tegen de Dreibund van Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië kwam te staan.

De basis, het Frans-Russische verbond, werd in 1894 op aanzetten van Edwards diplomaat lord Salisbury (de latere Britse premier) tot stand gebracht door de Franse graaf Lefebre, paus Leo VIII en de Russische diplomaat Izwolski. Daarop sloot Engeland in 1904 een verdrag met Frankrijk en in 1907 met Rusland. De Eerste Wereldoorlog bracht een beslissende klap toe aan de Pruissisch-Duitse imperiale plannen van Wilhelm II, deed de VS ingrijpen in Europa en effende de weg voor de monetaire crises van de jaren ’30 en het succes van totalitaire bewegingen in het Interbellum. (Riemeck, 1965a:hfdst. 2; 1965b, II: 89-104) Edwards pogingen werden verge-makkelijkt doordat hij vanaf 1875 grootmeester was van de United Grand Lodge (UGL), de Britse koepelorganisatie van vrijmetselaarsloges; bij Edwards aftreden in 1901 nam zijn broer Arthur de grootmeesterhamer over. (Het Britse koningshuis levert sinds 1737 traditioneel de grootmeester van de UGL.) (Freimaurer-Lexikon 1932: 435-39)

Last but not least was de Round Table-groep de drijvende kracht achter de Britse Appeasement-politiek, het beleid van concessie na concessie aan Hitler-Duitsland om koste wat kost een nieuwe wereldoorlog te voorkomen. (Quigley, 1981:hfdst. 12; 1966:580-83, 619-622) De appeasement-politiek heeft er echter toe geleid dat Hitler gelegenheid had zijn macht te consolideren, een leger uit de grond te stampen en half Midden-Europa te annexeren nog voor er één schot gelost werd. De Tweede Wereldoorlog heeft daardoor aanmerkelijk langer en destructiever kunnen werken dan strikt noodzakelijk was en in Midden- en Oost-Europa een politiek en cultureel vacu¸m achtergelaten.

Quigley beschrijft hoe de invloed van de Britse moederorganisatie na de Tweede Wereldoorlog uitholde. Haar instituties bleven bestaan en bestaan deels nog steeds – het vermogen van de Rhodes Trust werd in 1991 vastgesteld op ruim 107 miljoen pond – maar de groep kon niet voldoende nieuwe recruten met de juiste contacten en capaciteiten vinden om haar positie te handhaven. (Quigley, 1981:-309; Reuveni, 1996:32) Natuurlijk was de macht van de Round Table-groep na de Eerste Wereldoorlog al gedaald doordat de VS de positie van Engeland als wereldhegemoniale macht overnamen, hoewel Engeland nog wel invloedrijk was op het Europese vlak en in Commonwealth-verband. Na de Tweede Wereldoorlog was het echter definitief gedaan met het Britse ‘imperium’.

De Amerikaanse tak kwam tijdens de twintigste eeuw echter tot grote bloei. In 1921 ontstond de al genoemde Council on Foreign Relations uit een fusie tussen drie groepen: het Anglo-American Institute of International Affairs (AIIA) van de Round Table Group, dat kort daarvoor in New York was opgericht; ‘The Inquiry’, een discreet groepje intellectuelen onder leiding van de befaamde journalist Walter Lippmann dat president Wilson adviseerde bij de Parijse vredesonderhandelingen van 1919; en de eigenlijke Council on Foreign Relations, een private lobbyclub van ruim honderd New Yorkse financiers en industriëlen onder leiding van Elihu Root, minister van Buitenlandse Zaken onder Theodore Roosevelt.

Interessant was dat ze elkaar aanvankelijk niet konden vinden – de intellectuelen van de ‘Inquiry’ en de AIIA waren ten eerste geïnteresseerd in een wereldwijde Angelsaksische beschavingsmissie, terwijl de financiers vooral het kapitalisme wilden verspreiden. Al snel zagen ze echter in dat beide doelen prima samengingen; bij de fusie in 1921 zou de ene groep de ideeën leveren en de andere het benodigde kapitaal. De CFR sloot tevens aan bij al bestaande informele netwerken, namelijk die van de J.P. Morgan- en Rockefeller-imperia. (Grose 1996: 1-9; Quigley 1966: 71-76)

Strikt genomen is de CFR geen geheim genootschap, hoewel haar vergaderingen, studiegroepen en interne rapporten niet voor niet-leden toegankelijk zijn. Voor toespraken geldt dat ze ‘off the record’ zijn, wat inhoudt dat iedereen alles mag zeggen zonder er later, buiten CFR-verband, op aangesproken te worden. (Kraft, 1958:64) Het praktische gevolg hiervan is dat CFR-leden die via het Amerikaanse partijsysteem naar de top zijn geklommen, binnen de CFR de partijlijn (of de officiële standpunten van andere organisaties) volledig kunnen negeren. Zo wordt het ontstaan van een boven de partijen staande elite bevorderd.

Het belang en vaak zelfs het bestaan van de CFR was tot in de jaren ’70 alleen bij ‘insiders’ bekend. De eerste zelfstandige studie naar de CFR, Imperial brain trust van de marxistische historici Lawrence Shoup en William Minter, verscheen pas in 1977. Daarvoor was er aan academisch materiaal slechts één hoofdstuk uit een algemene studie van de socioloog G. William Domhoff uit 1970, en een enkel journalistiek artikel zoals dat van Joseph Kraft – zelf CFR-lid – in Harper’s Magazine in 1958. Dit voor een gezelschap waarover de New York Times schreef:

“De ledenlijst van de CFR bevat een aantal van de meest invloedrijke mannen in de regering, de industrie, het onderwijs en de pers”; de CFR heeft “gedurende een halve eeuw ruim bijgedragen aan de basis van het Amerikaanse buitenlandse beleid”. Volgens de politicoog Barnet is lidmaatschap van de CFR “een rituele stap in het bemachtigen van een functie als staatsmanager”. (Shoup en Minter 1977: 4)

Van 1940 tot 1991 is elke Amerikaanse minister van Defensie en elke minister van Buitenlandse Zaken, behalve James Byrnes, lid van de CFR geweest. Tijdens de regeringen van Kennedy en Johnson waren 60 van hun topfunctionarissen CFR-lid, tijdens de regering-Nixon 100. Twaalf van de veertien ‘wise men’ van Johnsons geheime Senior Advisory Group on Vietnam waren CFR-lid. “Een derde van de 1500 leden van de CFR zijn in de laatste 20 jaar door de regering tot officiële functies beroepen”, schrijft een CFR-rapport uit 1971. De helft van de leden komt uit de regio New York; het CFR-Umfeld wordt daarom vaak de ‘Eastern Establishment’ genoemd.

John Nason, de president van de Foreign Policy Association, omschreef het verschil tussen zijn organisatie en de CFR als “het verschil tussen het telefoonboek van New York en Who’s Who in America”. De meeste leden zijn financiers, CEO’s en topjuristen gelieerd aan grote concerns; daarnaast een grote minderheid aan academici en vooraanstaande journalisten. Grote banken en concerns zijn het meest prominent vertegenwoordigd. Men kan alleen lid worden op uitnodiging.

De belangrijkste activiteit van de CFR is het opzetten van studiegroepen, vaak in directe semi-officiële samenwerking met de overheid, over thema’s die op dat moment om nieuw beleid vragen (zie bijvoorbeeld het War-Peace-Project hieronder). Hiervoor krijgt ze voornamelijk geld van de Rockefeller, Ford en Carnegie Foundations. Ze publiceert studies, die echter niet gericht zijn op de publieke opinie, maar direct op beleidsmakers in politiek en bedrijfsleven. Het beïnvloeden van lagere niveau’s dan de directe beslissende kringen laat ze over aan twee dochterorganisaties. De Committees on Foreign Relations (Com-FR’s), in 30 grote Amerikaanse steden vertegenwoordigd, organiseren maandelijks lezingen voor lokale opinieleiders met sprekers die door de CFR of de overheid worden geleverd. De Foreign Policy Association (FPA), die groter en wijdvertakter is, heeft studie- en discussieprogramma’s voor minder belangrijke functionarissen, academici en studenten.

De activiteiten van de CFR worden gefinancierd door rijke individuele personen, grote concerns en abonnementen op haar orgaan Foreign Affairs. Dit wordt algemeen gezien als de meest invloedrijke periodiek op dit gebied ter wereld; van Lenin zijn heftig geannoteerde exemplaren bewaard gebleven. De Encyclopaedia Brittannica (1974, 4:877) noemt Foreign Affairs “de informele stem van het Amerikaanse buitenlands-beleid esta-blishment”: “Ideeën die in dit tijdschrift naar voren worden gebracht en goed worden ontvangen door de Foreign Affairs-gemeenschap, verschijnen later als Amerikaans overheidsbeleid of wetgeving; beleidsvoorstellen die zakken voor deze test verdwijnen meestal.” (Domhoff 1979: 64-67; Robertson 1991-: 98-99; Kraft 1958-: 64)

Al vroeg bleek dat de CFR niet akkoord zou gaan met het Round Table plan van een Engeland dat Amerika zou leiden. Zij zagen het liever andersom. Al in 1898 had de Amerikaanse historicus Edwin F. Gay, een van de oprichters van de CFR, geschreven: “Als ik denk aan het Britse Rijk als onze erfenis, denk ik simpelweg aan het natuurlijke recht van opvolging. De uiteindelijke opvolging is onvermijdelijk.” Deze houding werd 8 jaar later samengevat door de Amerikaanse president Theodore Roosevelt:
“Wij, het Amerikaanse volk, wij hebben geen keus of wij wel of niet een belangrijke rol in de wereld zullen spelen. Dat is voor ons bepaald door het lot, door de loop van de geschiedenis. Wij moeten die rol spelen. Al dat wij kunnen doen, is beslissen of we die rol goed of slecht zullen spelen. (gecit. in Shoup en Minter 1977: 18-19)

Twaalf dagen na het uitbreken van WO II op 1 september 1939, besloten de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken George Messersmith (CFR-lid), Hamilton F. Armstrong (redacteur van Foreign Affairs) en de ‘executive director’ van de CFR, Walter H. Mallory, in een vergadering om een langlopend onderzoeksproject op te zetten. De leidende gedachte was dat de VS technisch niet zonder de import van grondstoffen uit de Derde Wereld kon en economisch sterk afhankelijk was van de export van halffabrikaten naar dezelfde gebiedsdelen, zodat de VS zich daarom moesten mengen in de Tweede Wereldoorlog teneinde een “nieuwe wereldorde” te implementeren die de toegang tot die grondstoffen en afzetmarkten verzekerden.

Het onderzoeksproject moest uitwijzen hoe dat te doen. De uitkomsten zouden strikt geheim moeten blijven en als advies naar de regering Roosevelt worden gestuurd. Minister van Buitenlandse Zaken Cordell Hull zegde zijn steun toe en stelde een aantal topambtenaren van zijn departement beschikbaar. Het project werd ‘War and Peace Studies Project’ gedoopt en kreeg alleen van de Rockefeller Foundation al een subsidie van $ 300.000. (Shoup en Minter 1977: 118-22)

Vanaf midden december 1939 was de structuur van het CFR-project gereed. Onder een stuurgroep met als voorzitter Norman H. Davis, Roosevelts ‘ambassador at large’, zouden honderd topambtenaren van het State Department en CFR-leden in vijf gespecialiseerde onderzoeksgroepen het oorlogs-verloop continue volgen en regelmatig het ministerie van Buitenlandse Zaken en president Roosevelt op de hoogte houden. Twee CFR-leden, John G. Winant en William H. Standley, werden naar voren geschoven als ambassadeurs voor resp. Londen en Moskou, op dat moment de meest belangrijke posten. (Shoup en Minter 1977: 121-24)

Nadat president Roosevelt het CFR-advies (van juni 1940) om in ieder geval pal achter Engeland te staan, opvolgde door vanaf september 1940 militaire steun te leveren, begon het CFR-Project vanaf 1941 met het ontwerpen van wat zij de ‘Grand Area’ noemde.

De ‘Grand Area’ was een politiek-economisch wereldsysteem waarin ieder werelddeel een taak kreeg toebedeeld als onderdeel van een grote ‘wereldfabriek’, met de Amerikaanse economie als centrum. Het zou in ieder geval moeten bestaan uit de landen die op dat moment niet tot de Duitse invloedssfeer behoorden: het Westelijk Halfrond (Noord- en Zuid-Amerika), Engeland en het Britse Commonwealth, Zuid-Oost-Azië, China en Japan. Bij de voorziene terugdringing van Duitsland konden overige werelddelen van geval tot geval bij de ‘Grand Area’ worden ingelijfd. (Shoup en Minter 1977: 135-139; Chomsky 1992a: 45-49; 1992b: 11-19)
Het belangrijkste planningsdocument met betrekking tot de Grand Area, E-B34 (24 juli 1941), stelde:

“In het geval van een Amerikaans-Britse overwinning, zou veel moeten worden gedaan voor een herstructurering van de wereld, voornamelijk Europa. (…) Tijdens een interimperiode van aanpassing en herstructurering zou de Grand Area een belangrijke stabiliserende factor in de wereldeconomie kunnen zijn. De instituties die voor de structurering van de Grand Area zijn opgezet, zullen bruikbare ervaring opleveren voor het oplossen van de Europese problemen, en wellicht is het zelfs mogelijk om de Europese economieën simpelweg te integreren in die van de Grand Area. “

De Amerikaanse oorlogsdoelen moesten daarop worden afgestemd, hoewel niet openlijk. In april 1941 stelde het CFR-project:
“Als onze officiële oorlogsdoelen slechts met Angelsaksisch imperialisme van doen lijken te hebben, hebben ze weinig te bieden aan volken in de rest van de wereld, en zullen dus kwetsbaar zijn voor tegenbeloftes van de Nazi’s. Zulke oorlogsdoelen zouden ook de meest reactionaire elementen in de Verenigde Staten en het Britse rijk versterken. De belangen van andere volken zouden moeten worden benadrukt, niet alleen die van Europa, maar ook die van Azië, Afrika en Latijns-Amerika. Dat heeft een beter propaganda-effect. (gecit. in Shoup en Minter 1977: 162-63)

In het document P-B23 werd een globaal systeem van monetaire instituties voor “het stabiliseren van munteenheden en het opzetten van programma’s voor constructieve kapitaalinvesteringen in achtergebleven en onderontwikkelde regio’s” voorgesteld, dat van midden 1941 tot de eerste maanden van 1942 werd uitgewerkt. In februari 1942 kwam de CFR tot de conclusie dat hiervoor twee verschillende instituties benodigd waren, namelijk een Internationaal Monetair Fonds en een Wereldbank. Daarnaast moest de VS ook een manier vinden om de internationale betrekkingen in politiek opzicht te domineren, maar moest ze tegelijkertijd “conventionele vormen van imperialisme vermijden”, aldus CFR-director Isaiah Bowman. Daarom stelde de CFR de oprichting voor van een Verenigde Naties met een neu-traal, internationalistisch aanzien. (Shoup en Minter 1977:166-72)

De uitkomsten van het CFR-Project werden geïmplementeerd voor zover de situatie het toeliet. Wie in William Blums Killing Hope (1995) de ruim vijftig Amerikaanse militaire en CIA-interventies van na 1945 overziet, herkent al snel de fundamenten van de ‘Grand Area’. De Amerikaanse historicus Kolko heeft in zijn beruchte Politics of war (1968) laten zien dat de VS gedurende de Tweede Wereld-oorlog Europa op zodanige wijze binnenvielen dat ze maximale invloed op de herstructurering konden uitoefenen. Vanaf 1946 ontwikkelde de CFR-werkgroep ‘Reconstruction in Western Europe’, waarvan David Rockefeller de secretaris was, een plan voor grootschalige financiële steun aan Europa.

Dit plan, later het Marshall-plan gedoopt, legde de fundamenten voor de Europese eenwording doordat de Europese staten de Marshall-hulp via de speciaal op te richten Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES) dienden te ontvangen. Bijzondere Amerikaanse voorwaarden voor de Marshall-hulp waren dat het Europese handels- en betalingsverkeer geliberaliseerd moest worden en dat de West-Europese landen alle economische banden met Oost-Europa dienden te verbreken.

Ook moesten de Europese landen evenveel geld in de eigen valuta’s aan de Marshall-kas storten als de Amerikaanse overheid deed, zodat de VS zeggen-schap had over twee keer zoveel kapitaal als ze zelf inbracht. Zoals was te verwachten, weigerde de Sowjet-Unie de VS hierdoor zeggenschap over haar beleid te geven en verbood de Oost-Europese landen de Marshall-hulp te accepteren. Dit was, evenals de geforceerde breuk tussen communistische en niet-communistische vakbonden en partijen, een belangrijke stap in de breuk tussen Oost en West. Bovendien werd door de Marshall-hulp het fordistische kapitalisme naar Europa overgeplant. (Shoup en Minter 1977: -35; Van der Pijl 1992: 202-3; Van de Meersche 1990: 35–36)

De Noor Lundestad (1998) betoogt dat steun voor steeds verdergaande Europese eenwording tot op heden een constante van het Amerikaanse buitenlandse beleid is geweest.

Shoup en Minter komen tevens tot de conclusie dat het de CFR is geweest die de elitaire consensus vestigde dat Vietnam koste wat kost behouden moest blijven voor de ‘Grand Area’, een overtuiging die al in 1941 in een rapport van het CFR-Project werd geformuleerd. Een gift van $ 1.000.000 van de Ford en Rockefeller Foundations aan de CFR in het begin van de jaren ’60 leidde tot de studiegroepen die tot de conclusie kwamen dat de China-politiek van de VS moest worden omgebogen van confrontatie naar politieke erkenning en het aanknopen van handelsrelaties, wat eind jaren ’60 door de Amerikaanse president Nixon en zijn minister van Buitenlandse Zaken Kissinger werd gerealiseerd. (Shoup en Minter 1977: hfdst. 6, 207-12)

Wanneer we het denken van Carroll Quigley over het functioneren van de Round Table en de formulering van beleid(sdoelen) in het algemeen beschouwen, zien we dat hij slechts kritiek van technische aard heeft; hun activiteiten waren af en toe niet doelmatig genoeg. Behalve hun fanatieke geheimhouding waarmee hij het niet eens was, noemt Quigley het gebrek aan ‘common sense’ van de Round Table, hun terugvallen op ‘primaire’ reacties tijdens crises, de neiging om mensen posities te geven op basis van broederschap in plaats van capaciteiten en hun onbegrip voor de standpunten van mensen buiten de eigen sociale groep. Maar zijn kritiek behelst geen principiële punten. (Quigley 1981: ix) Hij is in zekere zin zelfs een bewonderaar van de groep. In die zin is zijn ‘verraad’ te begrijpen: met de op wereldschaal significante invloed van de Round Table c.q. Engeland was het in zijn tijd al gedaan en aan de CFR – die ten tijde dat Quigley schreef eigenlijk nog onbekend was – besteedt hij nauwelijks aandacht.

Quigley lijkt de Round Table-groep min of meer te zien als de personificatie van het algemeen belang. In deze visie werken politici haast van nature in het belang van ‘de gemeenschap’ en hoe effectiever zij kunnen optreden, hoe groter de vruchten voor die gemeenschap. Als zij effectiever kunnen werken door een Round Table-groep op te zetten, dan is dat een prijzenswaardige zaak. Ook is bij Quigley een element bespeurbaar van de opvatting dat de gewone bevolking geen goed zicht heeft op wat werkelijk goed voor haar is of niet bereid is om op korte termijn offers te bren-gen die haar op lange termijn zullen verheffen. In dat geval is het opzetten van Round Table-achtige groepen een uitkomst.

Gezien de consequenties van Quigleys studies over de Round Table Group is het merkwaardig dat beide voor het merendeel genegeerd zijn. Quigley was bepaald een vooraanstaand historicus; zijn Evolution of Civilizations werd veelgeprezen en Quigley had prestigieuze nevenfuncties, o.a. als professor op de universiteiten van Princeton en Harvard, als adviseur bij zowel het Amerikaanse ministerie van Defensie als het Huis van Afgevaardigden, et cetera. Ook het feit dat Quigley bij leven de mentor van de huidige Amerikaanse president Clinton was, zegt iets over Quigleys positie.

Clinton studeerde aan Georgetown in de periode dat Quigley er zijn Tragedy and Hope schreef. Met aanbevelingen van Quigley en de Amerikaanse senator Fulbright (een Rhodes-Scholar) op zak studeerde Clinton met een Rhodes-scholarship aan de Britse Universiteit van Oxford. Na de verkiezingen van 1992 noemde Clinton in al zijn programmatische toespraken -Carroll Quigley als de man die het meeste invloed op zijn karakter en wereldbeeld had uitgeoefend. “Quigley heeft mij geleerd dat Amerika het beste land in de geschiedenis van de mensheid is”, aldus Clinton. (R¸st 1992; Reuveni 1996: 27-30; Bingham 1992)

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s