Chicago Plan vs Glass-Steagal Act

Eind jaren ‘20 van de vorige eeuw kregen de Verenigde Staten een ernstige crash te verduren. Om ervoor te zorgen dat dit ‘nooit meer zou gebeuren’ werden in de Verenigde Staten twee bankhervormingen voorgesteld: de Glass-Steagal Act en het Chicago Plan. Ondanks dat alleen de Glass-Steagal Act destijds werd aangenomen zijn er de afgelopen jaren een aantal bankhervormingen voorgesteld die voortborduren op het Chicago Plan:

De Glass-Steagal Act stelde voor om zakenbanken en spaarbanken van elkaar te scheiden. De bekendste wetenschappers van die tijd gaven de voorkeur aan een ander voorstel, dat bekend stond onder de naam ‘Chicago Plan’. Dit plan hield in om een einde te maken aan private geldschepping en fractioneel reserve bankieren. Nader verklaard: In plaats van dat commerciële banken geld creëren door het verstrekken van (rentedragende) leningen zou geld voortaan uitsluitend nog schuldvrij door de overheid in omloop worden gebracht. Dit systeem noemt men volreserve bankieren.

Toch werd uitsluitend de Glass-Steagal Act aangenomen. Dit had verschillende redenen. Ten eerste omdat het Chicago Plan door velen verkeerd begrepen werd. Zelfs belangrijke voorvechters van het plan verkochten het als een plan dat het einde van private banken zou betekenen in plaats van enkel een eind aan private geldschepping. Ten tweede omdat er (net als vandaag de dag) veel onenigheid was binnen academische kringen hoe de crisis het best bestreden kon worden. Een andere reden was het feit, dat de belangrijkste voorvechter in de Senaat, Bronson Cutting, in 1935 omkwam bij een vliegtuigongeluk. Ook heerste het idee, dat de Glass-Steagal Act slechts de eerste stap van bankhervorming zou betekenen. 1

Vandaag de dag zijn er ook veel bekende economen die van mening zijn dat het destijds voornamelijk de krachtige en effectieve druk van de bankenlobby was die hierin een cruciale rol heeft gespeeld. Volgens hen gaven banken vermoedelijk de voorkeur aan de Glass-Staegal Act omdat het effect op de kern van hun verdienmodel kleiner was. Ze kunnen misschien ook gedacht hebben dat het gemakkelijker zou zijn om uiteindelijk de Glass-Steagal Act in te trekken, dan het zou zijn om geldcreatie opnieuw te privatiseren zodra de overheid zich bewust zou zijn van de voordelen van het Chicago Plan.2 3 De Glass-Steagal Act werd dan ook in 1999 ingetrokken.

Voortborduren op het Chicago Plan

Sinds het uitbreken van de financiële crisis in 2007/2008 is fractioneel reserve bankieren en private geldschepping voor het eerst sinds de jaren dertig van de vorige eeuw weer een punt van discussie geworden binnen academische kringen. Ook zijn er inmiddels een aantal bankhervormingen voorgesteld die voortborduren op het Chicago Plan:

Chicago Plan Revisited

NEED Act

Bank of England (Creation of Currency) Bill

Om een vergelijkbaar scenario van de jaren dertig te voorkomen zal er toch echt een maatschappelijk debat rondom dit onderwerp moeten komen. Inmiddels is er dan ook een internationale coalitie die campagne voert om fractioneel reserve bankieren te verbieden en volreserve bankieren te implementeren: de International Movement for Monetary Reform.

Monetaire onwetendheid

Toch blijft het lastig om een mainstream discussie te initiëren rondom geldcreatie. Geld is voor de mens wat water is voor de vis. Een vis is zich niet bewust van het feit dat hij in het water leeft. En zo is het ook met geld. Dit ondanks het feit, dat steeds meer mensen zich beginnen te interesseren voor monetaire vraagstukken. Het merendeel van de mensen zal je al met waterige ogen aankijken wanneer je ze slechts vraagt waar geld vandaan komt.

Toch is dit niet zo verwonderlijk, wanneer je je realiseert dat het proces van geldschepping zelfs binnen academische kringen een onderbelicht onderwerp is en dat het daardoor vaak verkeerd begrepen word. Zo blijkt uit de documentaire Economic Science and the Debt Crisis dat één van de redenen waarom de meeste macro-economen en beleidsmakers de financiële crisis bijvoorbeeld niet zagen aankomen is omdat de macro-economische modellen die zij hanteren geen rekening houden met, geloof het of niet, geld!

Neoliberalisme

Neoliberalisme is nog steeds de heersende economische ideologie in de Westerse wereld. Sinds het uitbreken van de crisis is de kritiek daarop enorm toegenomen. Het zijn dan ook vaak de vrije markt economen die beginnen te stuiteren wanneer wij voorstellen om het monopolie op geldschepping aan de overheid te geven. Wat vrije markt economen zich niet realiseren is, dat het juist de bedenkers van het vrije markt kapitalisme waren die in de jaren dertig het Chicago Plan voorstelden. Zij waren van mening dat private geldschepping de vrijemarktwerking juist verstoort.

 

Kumhof

Hyperinflatie
Tegenstanders van geldcreatie door de overheid komen ook vaak met het argument dat die overheid ons meteen in een hyperinflatie zou storten. De geschiedenis laat echter anders zien. Meer hierover kun je lezen in de artikelen Publieke vs. private geldschepping en Overheidsgeldschepping en inflatie.

Bronnen:
1. http://www.levyinstitute.org/pubs/wp/76.pdf
2. http://issuu.com/onsubject/docs/money_and_sustainability/133
3. https://www.imf.org/external/pubs/ft/wp/2012/wp12202.pdf

Advertenties

Wat is er liberaal aan een erfenis-economie?

In de anti-meritocratie van de negentiende eeuw was je beter af als je trouwde met een rijke vrouw of man dan wanneer je hard werkte. Het was een erfenis-economie. Een economie die langzaam weer aan het terugkeren is.

De Franse econoom Thomas Piketty laat in zijn magnum opus over ongelijkheid zien dat erfenissen aan het begin van de twintigste eeuw nog goed waren voor ongeveer 24 procent van het Franse nationaal inkomen, om na de Tweede Wereldoorlog te dalen tot slechts vier procent. Sindsdien is dat echter weer teruggekrabbeld tot zo’n vijftien procent van het nationaal inkomen anno 2012.

Het is geen uitsluitend Frans fenomeen. Ook in Nederland staat er een berg aan vermogen klaar om doorgegeven te worden. Vermogen is sterk geconcentreerd bij de langzaam afstervende generatie van 55-plussers. Huishoudens met een kost­winner tot veertig jaar bezitten tezamen slechts 64,3 miljard euro. Huishoudens met kostwinners ouder dan 55 jaar hebben daarentegen 752,1 miljard euro aan vermogen.

Niet iedereen zal echter aanspraak kunnen maken op die babyboom­bezittingen. Erven is luxe. Het overgrote deel van de Nederlanders erft nauwelijks iets. Bij zo’n zeventig procent van alle erfenissen in 2012 verkreeg de erfgenaam gemiddeld een bedrag van 20.850 euro. Bij de overige dertig procent van de erfenissen ging het om gemiddeld 338.640 euro. Deze dertig procent van de erfenissen was goed voor ruim negentig procent van het totale geërfde bedrag.

Miljonairs zijn dan ook veel vaker begunstigden van erfenissen dan andere Nederlanders. Van de gewone Nederlanders gaf twaalf procent aan dat ze hun bezit voornamelijk hadden vergaard uit nalatenschappen of schenkingen. Bij miljonairs was dat percentage ruim 36 procent, zo bleek uit het Dutch Wealth Report van de bank Van Lanschot. Niet voor niks prijken in de top-tien van de Quote 500 maar liefst acht familiedynastieën.

In de luwte van de politiek is dan ook al jaren een strijd gaande over de nalatenschappen van de baby­boomers. ‘Het is de minst rechtvaardige van alle belastingen’, wist Mark Rutte in 2008 al over de erfbelasting te vertellen. ‘Je hele leven betaal je al belasting en als je per ongeluk wat overhoudt, komt het blauwe gevaar nóg een keer langs.’ De erfbelasting, in VVD-kringen beter bekend als de ‘sterftaks’, moest volgens de ­toekomstige premier op termijn maar in haar geheel afgeschaft worden.

Zo ver is het – nog – niet gekomen, maar de afgelopen jaren zijn er wel zonder groot protest allerhande maatregelen genomen om erf­genamen te ontlasten: lagere erfbelastingtarieven, ruimere belasting­vrijstellingen bij het overgeven van het familiebedrijf en onlangs de schenkingsvrijstelling, die het recht gaf om een ton belastingvrij weg te geven voor de aankoop van een woning of ter aflossing van een hypotheek.

Dat zo schaamteloos het overgeven van vermogen wordt ontlast is eigenlijk vreemd. De dood is een ideale belastinggrondslag. Van een hoog inkomstenbelastingtarief zou je nog met enig recht kunnen zeggen dat je harder werken bestraft. Iemand die echter zomaar een erfenis krijgt, heeft daar nog niks voor gedaan, hij verkrijgt zonder inzet. Het is niet noeste arbeid, maar het toeval van de geboorte, die mensen recht geeft op een erfenis.

Mark Rutte mag het misschien zijn vergeten, maar veel van zijn liberale voorgangers waren juist hierom vóór een erfbelasting. ‘Zij die de spaargelden van anderen erven hebben een voordeel dat ze geenszins hebben verdiend ten opzichte van de vlijtige arbeiders wier voorgangers hen niks hebben nagelaten’, stelde de beroemde liberale filosoof-econoom John Stuart Mill (1806-1873) in zijn Principles of Political Economy. Dit ‘onverdiende inkomen’ moest volgens Mill ingeperkt worden. De belasting op erfenissen moest omhoog, zodat inkomen uit werk minder zwaar belast kon worden.

Het vervelende van belastingen is dat iemand ze zal moeten betalen. Erfenissen ontzien betekent dat de – toch al zwaar belaste – werkende Nederlander de pineut is. Nederland heeft inmiddels, na Zweden, de allerhoogste belasting op arbeid in Europa. Tussen 2002 en 2012 stegen de belastingen op arbeid als aandeel van de totale belastingheffing van 49,7 procent naar 57,5 procent. Tegelijkertijd daalden de belastingen op vermogen (waaronder de erf­belasting) van 20,1 procent naar 14,2 procent.

Daarmee stevenen we langzaam af op de anti-meritocratie van weleer. Op een tweedeling tussen laag­belaste erfgenamen en zwaarbelaste werkenden.

Wat is daar precies liberaal aan?

Bron:
https://www.groene.nl/artikel/sterftaks–2