Wat is geld?

Geld heeft verschillende functies. We kunnen het gebruiken als betaalmiddel, rekenmiddel, bewaarmiddel en investeringsmiddel. Daarnaast word geld ook gebruikt als speculatiemiddel. Maar wat is geld nu eigenlijk?

Geld is een afspraak

De monetair econoom Bernard Lietaer hanteert de volgende definitie: ‘’Een overeenkomst binnen een bepaalde gemeenschap om iets gestandaardiseerd als betaalmiddel te gebruiken.’’ De honderden verschillende complementaire geldsystemen die vandaag de dag naast elkaar bestaan zijn hier een mooi voorbeeld van. Complementaire munten zijn munten die naast het wettige betaalmiddel ingezet kunnen worden om economische, ecologische en sociale doelstellingen op lokaal en regionaal niveau te verwezenlijken. Door het gebruik van verschillende munten zal tevens ook de veerkracht van het monetair systeem toenemen. Wanneer mensen bijvoorbeeld het vertrouwen in een bepaalde munt verliezen kan men in dat geval terugvallen op een andere munt.

Toch laat de geschiedenis zien dat volledige vrije muntslag in de praktijk zelden tot monetaire stabiliteit leidt. Het gebruik van meerdere ruilmiddelen binnen een nationale economie vermindert namelijk de efficiëntie van het prijsvormingsproces en van de uitwisselingen tussen economische actoren.Voor overheden is dat ook niet praktisch want die moeten dan belasting innen in allerlei verschillende munten waar ze niet mee kunnen budgetteren. En om diezelfde reden is het voor het afhandelen van juridische financiële kwesties ook niet praktisch. Vandaar dat je ook altijd een wettig betaalmiddel nodig hebt. Complementaire munten zijn op hun beurt een mooie aanvulling hierop. Dit alles maakt geld een maatschappelijk abstract construct. De Griekse filosoof Aristoteles zei ooit:

“(…) all things that are exchanged must be somehow comparable. It is for this end that
money has been introduced, and it becomes in a sense an intermediate; for it measures
all things, and therefore the excess and the defect-how many shoes are equal to a
house or to a given amount of food. (…). All goods must therefore be measured by some
one thing, as we said before. Now this unit is in truth demand, which holds all things
together (for if men did not need one another’s goods at all, or did not need them
equally, there would be either no exchange or not the same exchange); but money has
become by convention a sort of representative of demand; and this is why it has the
name ‘money’ (nomisma)-because it exists not by nature but by law (nomos) and
it is in our power to change it and make it useless. (…) And for the future exchange that
if we do not need a thing now we shall have it if ever we do need it-money is as it
were our surety; for it must be possible for us to get what we want by bringing the
money. Now the same thing happens to money itself as to goods-it is not always worth
the same; yet it tends to be steadier. (…)”

Vaak zie je trouwens ook dat wanneer je geldcreatie volledig overlaat aan de vrije markt dat bepaalde munten dan toch weer de neiging hebben om naar één monopolist te groeien (winner takes all).

Ongedekt geld vs gedekt geld

Geld is dus naast een rekenmiddel, bewaarmiddel, investeringsmiddel en speculatiemiddel ook een betaalmiddel die we kunnen gebruiken om elkaars producten en diensten te ruilen. Het enige wat deze producten en diensten waarde geeft is de arbeid (vaardigheid + inspanning) die we daar zelf aan toevoegen. Geld heeft dus geen waarde in ‘zichzelf’ maar biedt ‘toegang’ tot elkaars gecreëerde waarde. Je zou dus kunnen stellen dat geld een tegoedbon is voor arbeid van anderen, en die tegoedbon verkrijg je door zelf arbeid te leveren. Al deze gecreëerde waarde samen noemen we de reële economie.

”Wat ik te bieden heb levert toegevoegde waarde op voor mijn medemens. Geld is het middel om deze toegevoegde waarde tot uitdrukking te brengen” – Ad Broere (econoom & auteur)

Er zijn ook mensen die van mening zijn dat de geldhoeveelheid niet afhankelijk dient te zijn van de hoeveelheid economische activiteit die het vertegenwoordigd maar door iets van intrinsieke waarde, bijvoorbeeld goud. Goud zou volgens hen namelijk een aantal eigenschappen bezitten (schaarst, roest niet, makkelijk deelbaar, ziet er mooi uit etc.) wat ervoor zou zorgen dat er altijd mensen zijn die een bepaalde waarde aan deze grondstof toekennen. In tijden van crisis zijn er daarom ook altijd veel beleggers die goud als veilige vluchthaven zien.

Een ander argument is dat in een gedekt geldsysteem de geldscheppende partijen geen misbruik kunnen maken van hun privilege. Je kunt je echter afvragen hoe valide dit argument is aangezien de geschiedenis laat zien dat geldscheppende instanties toch weer gaan leveragen met goud indien het hun uitkomt of wanneer de goudhoeveelheid de economische groei niet kan bijbenen. Landen die bijvoorbeeld grote handelstekorten hadden zagen hun goudvoorraad slinken en dus ook hun geldvoorraad. Dat leidt tot deflatie van prijzen (vraaguitval). Dit vermindert dan de economische activiteit en daarmee dan ook de vraag (wat soms nog versterkt word door uitstel van bestedingen). Gevolg is vermindering van invoer. Men komt dan in een negatieve spiraal. De Oostenrijkse School (economische stroming binnen de economische wetenschap) daarentegen is van mening dat deflatie in dit geval geen probleem is zolang inkomens evenredig mee dalen. De praktijk leert ons echter dat prijzen en inkomen eerder sticky zijn dan elastisch (alhoewel flexibilisering van de arbeidsmarkt dit wel deels kan doorbreken). De econoom Joseph Huber zegt hier het volgende over:

The Austrian School, by contrast, developed a special variant of neoclassical thinking―still more fictitious in a sense―in that a constant money supply (gold) would result in ongoing investment and productivity growth, while prices and wages would readapt by way of beneficial downward elasticity (stable or lower incomes benefitting from still lower prices). However, as New Keynesian Economics and Behavioral Economics have shown, prices and wages tend to be ‘sticky’ rather than elastic, resulting in a downward spiral of reduced capital expenditure, less employment, lower wages and diminishing purchasing power and tax revenue.

Ook is deflatie nadelig voor mensen die schulden hebben, aangezien deze in reële termen dan toeneemt. Daarnaast zouden partijen of mensen die over veel goud beschikken (bijvoorbeeld goudproducerende landen) een voordeel hebben ten opzichten van anderen en is het risico van valsmunterij ook aanwezig.

Cryptocurrencies:

Cryptocurrencies zoals bijvoorbeeld Bitcoin kampen in feite met hetzelfde probleem. Er is een plafond wat betreft het aantal munten die in omloop kunnen worden gebracht. Hierdoor kun je de geldhoeveelheid niet evenredig laten meegroeien met de omvang van de economie zonder dat er deflatie optreedt. Ook is het hierdoor voor speculanten makkelijker om een groot deel van de circulerende munten naar zich toe te trekken en de koers te manipuleren (meer over speculatie verderop in dit artikel). En ook het feit dat er geen publiek vangnet is voor dit soort munten maakt dat de meeste mensen toch de voorkeur geven aan een wettig betaalmiddel. Een cryptocurrency op staatsniveau zou deze problemen echter kunnen elimineren. Cryptocurrencies hebben namelijk ook veel voordelen. Meer informatie hierover kun je lezen in het rapport NLCoin – Een digitale staatsmunt die geldschepping door de staat op orde houdt.

Geld maken met geld

Naast een rekenmiddel, bewaarmiddel, investeringsmiddel en betaalmiddel is geld vandaag de dag helaas vooral een speculatiemiddel geworden. Meer als 95% van alle dagelijkse transacties heeft een speculatief karakter. In het artikel Geld maken met geld kun je hier meer over lezen.

Rentedragende bankschuld vs schuldvrij staatsgeld

In het huidige geldsysteem komt geld enkel in omloop als rentedragende bankschuld. Veel mainstream economen zoals bijvoorbeeld Dirk Bezemer (Rijksuniversiteit Groningen) zijn van mening dat geld per definitie schuld is en dit daarom alleen als zodanig in omloop kan worden gebracht. Andere economen zijn weer van mening dat geld enkel een middel is om onderlinge schulden en vorderingen te verrekenen en dat de geldschepping een soeverein recht hoort te zijn van de staat. Stephen Zarlenga (oprichter American Monetary Institute) zegt hier bijvoorbeeld het volgende over:

‘’Money is an instrument, a tool for handling claims and debts. The claims and debts, however, are not ‘in’ the money, but are constituted in a mutual relation between a claimant and a debtor. Money thus is not identical with claims and charges. Money is a social medium indeed. Language, for example, ‘is’ not communication, but is a tool for verbal communication. Money need not be something owed and due, it’s what we use to pay something owed and due. Money and debt are two different things, that is why we have different words for them. We pay our debt with money.”

”Define money as a commodity – as wealth – then the wealthy will control not only their assets, but the money system itself. Define money as credit, as our present system does, then the bankers will control the system, and just look at the horrible and deadly results! Define money properly as an abstract legal power, as our Constitution does, and control over money can be brought under our system of checks and balances.

Hoe een schuldvrij soeverein geldsysteem er precies uit zou zien kun je lezen in het boek Modernising Money óf check de website http://www.onsgeld.nu.

Rentevrij krediet

Er zijn ook economen die het probleem niet zozeer zien in het feit dat geld als krediet geschapen word, maar dat er (samengestelde) rente over berekent word. De monetair hervormer Ad Broere pleit daarom voor rentevrij staatskrediet. Klik hier voor meer informatie.

Basisinkomen

De afgelopen 50 jaar hebben we enorm complex systeem gebouwd. Belastingen, uitkeringen, toeslagen, wonen en zorg is allemaal aan elkaar gekoppeld in een ingewikkeld systeem waardoor consequenties van beleid nauwelijks nog te berekenen zijn, laat staan te controleren. Ook waarschuwen onderzoekers ons dat binnen 20 jaar ongeveer de helft van alle huidige banen geautomatiseerd zullen zijn. Natuurlijk kunnen we onszelf hierbij de vraag stellen hoeveel nieuwe banen hiervoor in de plaats gaan komen, maar realiseer je wel dat slechts een bepaald werkloosheidspercentage bereikt hoeft te worden om het hele systeem vast te laten lopen. Vandaar dat er ook steeds meer handen opgaan voor het invoeren van een onvoorwaardelijk basisinkomen. Dit is niet zozeer een monetair vraagstuk maar meer een verdeelvraagstuk. Wat dit precies is en in hoeverre een basisinkomen haalbaar is kun je lezen in het artikel ‘Basisinkomen, het alternatief voor de rondpompmachine‘ van Robin Fransman.

Omgekeerde ontwikkelingshulp

”Volgens cijfers van de Verenigde Naties bedroeg de totale buitenlandse schuld van de ontwikkelingslanden 567 miljard dollar in 1980, 1.086 miljard dollar in 1986, 1.419 miljard in 1992, om eind 1995 aan te groeien tot 1.940 miljard dollar. Daarbij liepen de rentebetalingen van 1980 tot 1992 op tot 771,3 miljard dollar terwijl in die periode de betalingen op de hoofdsom 890,9 miljard dollar bedroegen. In totaal hebben de derdewereldlanden in deze periode dus 1.662,2 miljard dollar betaald. Ze hebben een bedrag betaald dat drie keer groter is dan de oorspronkelijke schuld in 1980′.”

Bovenstaande tekst is afkomstig uit het rapport ‘Europa en de ontwikkelingslanden‘. Voor meer uitleg waarom ontwikkelingshulp niet werkt klik hier, hier en bekijk onderstaande video’s.